|
Via dit weblog wil ik u op de hoogte houden van columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van zaken die mij opvallen, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardigheden. Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb. Reageert u vooral, ik zorg ervoor dat het geplaatst wordt, mits het natuurlijk wel ergens op slaat.
Als u wilt reageren kunt u mij een e-mail sturen via info@josvdlans.nl
| |
maart 2010
|
maa 2
|
Nieuw boek in de maak. Meelezers gevraagd
Ik ben deze maand druk bezig om een nieuw boek af te
ronden. Het is een uitwerking van de lezingen die ik de afgelopen jaren heb
gegeven over de opkomst van een nieuw type sociale professional (zie de
powerpoint-presentaties op de pagina ‘lezingen’). Het boek verschijnt in
juni en, zoals dat tegenwoordig altijd gaat, de voorkant en achterkant zijn
al af. Zie hieronder:
Eropaf!
De
nieuwe start van het sociaal werk
Aan het welzijnswerk
hangt tegenwoordig de onverbiddelijke geur van overbodigheid. Het is in de
ogen van velen een praatjesmakende en nietszeggende sector. Om die reden
bungelen welzijnswerkers onderaan de professionele statusladder en moeten
zij elk begrotingsjaar voor hun baan vrezen. Op zoek naar een verklaring
voert Jos van der Lans de lezer langs de spijkerbroekenrevolutie van de
jaren zeventig naar de actuele wereld van grote instellingen, die zich
steeds verder hebben afgezonderd van de leefwereld van burgers.
Maar het tij keert. Op steeds meer plekken onttrekken professionals zich
aan de bureaucratie en gaan eropaf. Dit nieuw type sociaal werkers gelooft
niet langer in het oplossend vermogen van instituties, maar in de eerste
plaats in de kracht van mensen zelf. Zij verstaan de kunst van het
verbinden. Zij brengen sociale netwerken tot leven, zij koppelen mensen aan
elkaar, zij verbinden dromen met mogelijkheden, mensen met kansen. Zij
tekenen, aan de vooravond van een ingrijpende bezuinigingsronde, voor een
nieuwe start van het sociaal werk.
In zijn succesvolle boek Ontregelen pleitte Jos van der Lans
voor een herovering van de werkvloer door professionals om te ontsnappen
aan de vervreemdende regelzucht en proceduredwang in de publieke sector. In
Eropaf! werkt hij die gedachte uit voor het sociaal werk.
Aan wat er tussen de voorkant en de achterkant moet komen te staan wordt de
komende maand nog hard gewerkt. Er ligt nu een eerste manuscript. Dat heb
ik inmiddels verspreid onder mijn trouwe meelezers en criticasters. Maar
het lijkt mij aardig om via mijn weblog een oproep te doen voor meer
kritische meelezers. Immers, hoe meer commentaar, hoe beter het boek. Wie
voelt zich geroepen? Wie wil het manuscript lezen en van commentaar
voorzien? Meldt u zo snel mogelijk, want op 1 april (geen grap) moet ik het
definitieve manuscript inleveren bij mijn uitgeverij Augustus. Wil ik
opmerkingen kunnen verwerken, dan moet ik het commentaar ten minste een
week van te voren, maar liefst eerder, binnen krijgen. Mail naar:
info@josvdlans.nl
|
|
maa 1
|
MINDER PRETENTIE, MEER AMBITIE
Ik ben lid van de Club Zonder Naam. Zo hebben we dit dertienkoppige
gezelschap zo’n vijftien jaar geleden gedoopt toen niemand in staat bleek
een originele naam te verzinnen voor het discussieclubje dat we – toen
allemaal ergens tussen de 35 en 40 jaar oud - hadden opgericht om met
elkaar over actuele politieke en maatschappelijke kwesties te debatteren.
Sindsdien prijkt er een keer in de zes weken de afkorting CZN in mijn
agenda – Club Zonder Naam.
Sociologisch gezien een interessant gezelschap, dat zeker. Want het
toenmalige clubje wetenschappelijke medewerkers, journalisten,
gemeenteambtenaren, beleidsmedewerkers en sectorhoofden bestaat inmiddels
uit meerdere hoogleraren, vele directeuren, gemeentesecretarissen en
vooraanstaande landelijke politici. Ik geloof dat ik de enige ben die al
die jaren hetzelfde is blijven doen: freelance journalist.
Op onze laatste bijeenkomst spraken wij over het jongste rapport van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid met als titel: Minder
pretentie, meer ambitie. Dat is een opmerkelijk goed geschreven rapport
van ruim 300 pagina’s, dat de heilige huisjes van onze ontwikkelingshulp
aardig omver kegelt. Het rapport is buitengewoon actueel omdat er over de
effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking in ons land en daarbuiten veel
te doen is. Hulp houdt Afrika arm, beweert bijvoorbeeld de Zambiaanse
econome Dambisa Moyo, die al de Ayaan Hirsi Ali van het ontwikkelingsdebat
is genoemd. In Nederland zegt de VVD het haar graag na.
Dat is een interessant debat, maar ontwikkelingssamenwerking is niet
‘mijn’ onderwerp. Anderen in onze Club zijn beroepsmatig dagelijks met de
wereldproblemen in de weer. Zij hadden het WRR-rapport dan ook met de
marker in de aanslag gelezen. Ik niet dus. Ik heb het niet zo op het
buitenland. Nederland is voor mij al groot genoeg. Daarom dacht ik deze
clubavond vooral een beetje achterover leunend en luisterend naar de
intelligente opmerkingen van anderen door te brengen. Zo gaat dat in onze
Club, soms is het echt jouw ‘thema’, de volgende keer is het meer dat van
anderen. Maar het is altijd interessant: je steekt er elke keer weer wat
van op.
33 donoren per land
Dus luisterde ik aandachtig naar een van onze Clubleden. Nauw betrokken bij
het opstellen van het rapport vertelde hij waarom het niet mogelijk is om
zinvolle uitspraken te doen over de betekenis van ontwikkelingshulp op
basis van algemene oordelen over de ontwikkeling van hele continenten in de
loop van de afgelopen zestig jaar. Hulp, zo leert onderzoek, kan hooguit
een katalysator zijn voor ontwikkeling, en dan nog alleen onder specifieke
voorwaarden, zoals een goed bestuur, goede infrastructuur, geen
natuurrampen, etcetera. Die voorwaarden zijn meestal maar zeer ten dele
vervuld.
Ontwikkelingshulp is de laatste decennia in Nederland vooral vormgeven
door iets te doen aan gezondheidszorg en onderwijs, driekwart van het
Nederlandse ontwikkelingsbudget gaat daar naartoe, en nog geen kwart aan
infrastructuur, landbouw en economische bedrijvigheid. De WRR is daar zeer
kritisch over. Het bieden van sociale zorg mag vanuit humanitair oogpunt
belangrijk zijn, maar het leidt niet automatisch tot de structurele
veranderingen die landen en volkeren ook echt zelfredzaam maken. Dat is
eigenlijk ook wat we de afgelopen kwart eeuw in Afrika hebben gezien, wat
dat betreft heeft Dambisa Moyo (zie foto) een punt. En wat in deze toestand
zeker niet helpt is dat de hulp enorm versplinterd is: een doorsnee
ontwikkelingsland heeft te maken met 33 donoren. 
Toen ik over die 33 donoren per land hoorde, dacht ik ineens: dit gaat
niet alleen over Afrika-ontwikkelingshulp, dit gaat ook over Nederland. Dit
gaat ook over hoe wij hier multiprobleem gezinnen aanpakken, hoe wij met
tientallen instanties en financieringsstromen ons over de kwetsbaren aan de
onderkant van de samenleving buigen. Dit gaat ook over ontwikkelingshulp in
eigen land.
Want, zegt de WRR we doen te veel projecten, die zelden gebaseerd zijn op
een grondige analyse van wat er precies in het land aan de hand is.
Inderdaad, dacht ik, dat is onze projectencarrousel.
Ergerniswekkend is, aldus de WRR, het amateurisme waarmee we
ontwikkelingsrelaties vormgeven door alsmaar roulerend ambassadepersoneel,
dat om de drie jaar vervangen wordt. Er is sprake van functieroulatie in
plaats van de organisatie van duurzame deskundigheid. Verdomd, dat lijkt
als twee druppels water op de ‘georganiseerde discontinuďteit’ die je zowel
in hulpverleningsland als in de ambtelijke sturing in ons land overal
aantreft. In professioneel welzijn- en zorgland zit vrijwel nooit iemand
langer dan twee jaar op zijn plek. De roulatiesnelheid is in
achterstandland nog groter dan op de ambassades in Afrika.
Nog een parallel: Nederland heeft op dit moment een heel magere
kennisinfrastructuur op het terrein van ontwikkelingshulp, zegt de WRR, het
lerend vermogen is gering. Dat had – met alle respect voor alles wat in de
Utrechtse contreien te vinden is – ook zo opgeschreven kunnen worden voor
de welzijnssector in Nederland.
Wat in de ontwikkelingshulp ontbreekt, zo dendert de WRR verder, is de
ontwikkeling van een verantwoordingskader dat past bij de doelen die
gesteld worden en waarin ook het oordeel van de verschillende lokale
betrokkenen helder naar voren komt. Ongelooflijk, dat is precies waarnaar
het welzijnsbeleid in Nederland nu al jaren wanhopig aan het zoeken is.
NLaid en wijkcoaches
Ik zat inmiddels op het puntje van mijn stoel. Ineens realiseerde ik mij
dat als de overeenkomsten tussen onze hulp in Afrika en onze aanpak van
achterstandsgroepen en probleembuurten zo groot zijn, dat dan ook de door
de WRR voorgestelde oplossingen voor de aanpak van ontwikkelingshulp in
Afrika in ons eigen land ook wel eens hout zouden kunnen snijden.
En warempel, ook dat viel niet tegen. De WRR zegt over
ontwikkelingssamenwerking: hou op met die honderd landen en al die
projecten en donoren, die met de beste bedoelingen langs elkaar heen
werken. Concentreer je op een beperkt aantal (tien, stelt de WRR voor)
landen, waar je sterk aanwezig kunt zijn. Zet daar een duurzame organisatie
op, NLaid geheten, met de beste deskundigen die daar zaken gaat aanpakken
waar we goed in zijn en waarin ons land wat te bieden heeft (landbouw,
opbouw rechtsstaat, bestrijding hiv/aids, versterking civil society).
Verbindt die programma’s met bedrijven, burgers en ngo’s en mobiliseer zo
vanuit een krachtige regie, samen met het betreffende ontwikkelingsland,
een perspectief voor een land om op basis van eigen inzichten en krachten
vooruitgang te boeken.  Misschien vat ik het een
beetje te veel met mijn eigen bril samen (het WRR-rapport haalt er ook
allerlei dingen bij die ik voor het gemak maar even oversla). Maar ik zag
door dit verhaal ineens de Enschedese wijkcoaches voor me, die ik op 15
februari had zien schitteren in het stadion van FC Twente, waar door de
gemeente Enschede een conferentie was belegd over hun werkwijze die maar
liefst door zo’n 350 mensen uit alle hoeken van het land werd bezocht (zie
foto rechts). De wijkcoaches zijn als een soort NLaid neergestreken in de
Enschedese Vogelaarwijk Velve Lindehof. Ze hebben daar alle twintig
hulpverleningsinstanties (vgl. de 33 donoren) opzij geduwd en met ieders
instemming de touwtjes in handen genomen. Ze zijn in overleg met bewoners
dingen gaan doen waar ze goed in zijn: orde scheppen, verbindingen maken,
hulptroepen mobiliseren, mensen op hun eigen vermogens en
verantwoordelijkheid aanspreken. En, zo bleek op 15 februari, de eerste
resultaten wijzen erop dat dat werkt.
Ik had het niet eerder zo bedacht. Maar wat wij in met de beste
bedoelingen en hoge verwachtingen in achterstandswijken doen, doen we in
feite nu ook al decennia in ontwikkelingslanden. Het is hetzelfde laken een
pak. Welzijnswerkers en ontwikkelingswerkers zijn welbeschouwd uit
hetzelfde hout gesneden. We willen in Afrika en in de Afrikanerwijk met
zijn allen zo veel mogelijk onze eigen dingen doen en niemand is eigenlijk
verantwoordelijk voor de optelsom van deze inspanningen. Door die aanpak
trekt de WRR nu een dikke streep voor wat betreft de
ontwikkelingssamenwerking. Misschien moet de WRR ook zo’n rapport schrijven
over de aanpak van achterstandswijken. Met deze monumentale voorstudie is
dat zo gepiept. En met de titel is niks mis: Minder pretentie, meer ambitie
- deel II.
Deze column verschijnt in het maart-nummer van TSS – Tijdschrift voor
sociale vraagstukken in de rubriek: ‘Waar is Jos van der Lans?’.
|
|
|