|
Via dit weblog wil ik u op de hoogte houden van columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van zaken die mij opvallen, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardigheden. Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb. Reageert u vooral, ik zorg ervoor dat het geplaatst wordt, mits het natuurlijk wel ergens op slaat.
Een waarschuwing: in de loop der jaren kunnen links gewijzigd zijn waardoor ze niet allemaal meer werken. Dat geldt ook voor teksten van artikelen die u via het weblog via een link van deze website zou kunnen halen. Wegens een conversie van word-documenten naar pdf-documenten werken dergelijke interne links in weblogberichten voor mei 2009 niet meer perfect. In dat geval kunt u de artikelen beter ophalen via de knoppen 'journalist/publicist' --> 'artikelen' of anders via de speciale knoppen van het betreffende tijdschrift waarin het werd geschreven.
Als u wilt reageren kunt u mij een e-mail sturen via info@josvdlans.nl
| |
juni 2009
|
jun 29
|
Column Harm Klifman
Geachte heer van der Lans,
Onlangs las ik uw boek Ontregelen. De gedachten die u daarin
ontvouwde over de herwinning van een constructieve relatie tussen burger en
professional sporen met mijn opvattingen, toegespitst op het onderwijs. Ik
heb ze daarom verwerkt in een column waarvan u de tekst onder dit bericht
aantreft.
Vorig jaar was ik vaste columnist in de wekelijkse Nieuwsbrief van de
Besturenraad, de organisatie van het christelijk onderwijs. Onlangs ben ik
van werkgever veranderd en in dienst getreden van Van Beekveld en Terpstra
Organisatieadviesbureau in Hoorn. Daar zet ik de columns voort in een
periodiek e-mailbericht aan persoonlijke relaties en op mijn site. Op deze
column krijg ik mooie reacties van mensen die terugmelden dat ze uw boek
gaan kopen. Tot deze personen behoort ook Jannie van den Hul, voorheen uw
collega voor het CDA in de Eerste Kamer. Ik vind het leuk om u dit te
melden. Misschien u ook.
Met vriendelijke groet,
dr Harm Klifman

Fusietoets
In het Onderwijs Café is op 16 juni gediscussieerd over de wenselijkheid of
onwenselijkheid van een fusietoets in het primair en voortgezet onderwijs.
Ik las een uitgebreid verslag op de site van de PO-raad. Zoals bekend heeft
de Tweede Kamer dit punt, de fusietoets, op zijn gespreksagenda. Er ligt
een rapport van de Onderwijsraad en zo nog het een en ander. Het verhaal
eromheen is bekend. Politici en ouders maken zich ongerust over de
schaalvergrotingen die her en der plaatsvinden en over de gevolgen daarvan
voor het onderwijs. Kort gezegd, gaat er wat fout als verschillende
besturen de koppen bij elkaar steken en besluiten hun scholen onder één
gezag te brengen? In de discussies over deze vraag treedt vaak ruis, ruis
en nog eens ruis op. Zo halen velen bestuurlijke en institutionele
schaalvergroting door elkaar; zij denken dat als besturen fuseren en hun
scholen onder één gezag brengen dat die scholen dan automatisch groter
worden, wat niet het geval is. Anderen denken dat er voor ouders minder te
kiezen is, hetgeen in de praktijk bijna nooit verkeerd blijkt te gaan. En
weer anderen zijn bang dat de leerling uit beeld verdwijnt; zij bepleiten
een menselijke maat, wat dat dan ook mag betekenen. En weer anderen
vermoeden dat er achter de schaalvergrotingsoperaties één groot complot zit
van bestuurders die slechts een doel hebben: een salarisschaal erbij.
De een hoopt op stevig tegengas van de politiek, de ander meent dat ‘de
sector’ een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het levert, al met al, een
boeiend maatschappelijk debat op. Als we de discussie rond de fusietoets
goed bezien dan staan vooral de belangen van bestuurders respectievelijk
van ouders en leerlingen centraal. Het lijkt me interessant om in dit licht
ook de belangen van docenten in de discussie te betrekken. Ze roeren zich
nauwelijks. Hun afwezigheid in dit debat is welhaast te beschouwen als een
illustratie van de onmacht van deze, voor het onderwijs toch eigenlijk
meest cruciale partij. Het lukt hun maar niet om een rol van betekenis te
spelen in de grote operaties die gaande zijn. Wat hiervan de reden of beter
gezegd: de oorzaak is, weet ik niet. Maar misschien heeft het te maken met
de algehele malaise onder professionele beroepsgroepen – een malaise die is
terug te voeren op een inmiddels al enige decennia durende uitholling van
hun gezag en status.
Een aardige beschrijving van de wijze waarop die uitholling zich heeft
voltrokken is te vinden in het boek van Jos van der Lans getiteld
Ontregelen. De herovering van de werkvloer. In herkenbare bewoordingen en
voorbeelden schetst Van der Lans de dilemma’s van professionals, hun
vluchtroutes, hun zoeken naar zekerheden, kortom hij schetst de teloorgang
van de oorspronkelijke positie. Maar daar laat hij het niet bij: zoals de
ondertitel al aangeeft is Van der Lans uit op een soort eerherstel van de
professional. En terecht.
Hij zoekt daarbij het aanknopingspunt in de relatie van de professional met
de burger i.c. de ouder, de patiënt, de zorgbehoevende enzovoorts.
Belangrijke kenmerken van die relatie zijn: wederzijds vertrouwen,
toegankelijkheid, erkenning van de professionele deskundigheid, nabijheid,
oplossingsgerichtheid. De burger, de ouder, de patiënt is geen consument
die in een transactierelatie tot de professional staat. Allerlei
ontwikkelingen drijven de burger wel die kant op maar dat is daarmee nog
niet goed. Een professional is geen productaanbieder die op zoek is naar de
toevallige consument. Integendeel, met een professional ga je, net zal met
je huisarts, in beginsel een relatie voor het leven aan. Daar is vertrouwen
over en weer een essentiële en kritische succesfactor in.
Terug naar de fusietoets. Fusies, of het nu gaat om de gezondheidszorg of
het onderwijs, fusies zouden gericht moeten zijn op herstel van juist die
relatie tussen professional en direct belanghebbenden, voor het onderwijs:
de ouder en de leerling. Als je dan toch een fusietoets wilt, richt die dan
precies daar op. En als je dan toch uit bent op een fusietoets, stem dan
ook de toetsvragen op het herstel van die relatie af. Van der Lans geeft al
een voorzet; hij noemt daarvoor enkele concrete toetsvragen, zoals:
● Is de beoogde fusie een investering in de aantoonbare verbetering van de
relatie professional ouder/leerling? Wordt de overhead door de fusie ten
gunste van deze relatie verkleind?
● Is het zeker dat de fusie niet leidt tot meer ‘indirecte werkzaamheden’
zoals formulieren invullen, je verantwoorden, statistieken bijwerken, input
voor de computer aanleveren enz.
● Hebben docenten daadwerkelijk meer tijd voor de leerling en diens
ouder(s)?
● Zijn moeilijke (groepen van) leerlingen beter af door de fusie?
Ik heb voldoende fusies zien plaatsvinden die aan deze doelen een bijdrage
wilden leveren. Aan goede intenties ontbreekt het gewoonlijk niet. Dat
neemt niet weg dat door alle gedoe die fusies nu eenmaal omgeven, die goede
intenties al snel uit beeld verdwijnen of op zijn minst in de knel komen.
Daarom zouden de bij fusie betrokken partijen al tijdens het proces moeten
afspreken hoe je ‘monitort’ dat er daadwerkelijk winst wordt geboekt in het
primaire proces. Dan heb je geen wet nodig die een fusietoets oplegt maar
goede onderhandelaars in een gezaghebbende MR. En dat monitoren mag
natuurlijk weer niet leiden tot meer en nieuwe ‘indirecte werkzaamheden’
van professionals. Want dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.
Wilt u reageren op deze column? Mail gerust naar harm.klifman@vbent.org.
Eerder verschenen columns zijn te vinden op
www.harmklifman.nl
|
|
jun 26
|
De crisis en Michael Jackson
 De dood van Michael Jackson, King of Pop, is
eigenlijk een metafoor voor de economische crisis. Want de uit het lood
geslagen hebzucht die het economisch systeem heeft getroffen, heeft
uiteindelijk ook Michael Jackson geveld. Niet alleen is de opgejaagde
wereldster zichzelf te buiten gegaan aan een krankzinnig bestedingspatroon
die al zijn miljarden verdiensten deed verdampen en hem berooid en eenzaam
deed achterblijven. Vervolgens kregen de Jackson-uitbaters dollartekens in
hun ogen toen zich de enige uitweg voordeed om uit de ellende te komen:
opnieuw optreden. Het zou al een onwaarschijnlijke prestatie geweest zijn
als de gesloopte en verzwakte Jackson lichamelijk in staat was gebleken een
paar concerten te geven. Zijn elastieken lichaam was hij al jaren kwijt en
of zijn stem nog een vergelijkbaar niveau zou hebben gehaald, was zeer de
vraag. Maar toen de kaarten over de toonbank vlogen maakten de
Jackson-financiers – al ware het versleutelde hypotheken – er meteen
vijftig concerten van. De kaarten werden grif verkocht, vele miljoenen
stroomden binnen. Kassa. Dat het gebakken lucht was, niet bestaande handel
- daar dacht in alle gretigheid even niemand aan. Tot Michael Jackson dood
ging, opgejaagd door zijn roem uit het verleden waarvan hij wist dat hij
dat nooit meer kon evenaren. Het is strikt juridisch gesproken geen moord
met voorbedachte rade, maar moreel gezien komt het heel dicht in de buurt.
En net zoals de bonus-trekkers in het bankwezen niet de grote gedupeerden
van de economische crisis zijn (maar de armzalige huisbezitters in de VS),
zo zullen ook de Jackson-profiteurs niet het gelag betalen. Dat doen die
miljoenen concert-kaartjeskopers, die ondanks alle mooie praatjes over geld
terugbetalen ongetwijfeld naar hun geld zullen kunnen fluiten. Lees er de
komende weken de kranten maar op na.
|
|
jun 20
|
Not In My ForYard
.jpg) .jpg) .jpg) .jpg)
THE MAKING OF EEN GEMEENTEPLANTSOEN (I)
● 6 mei: de stoep wordt opengebroken. ● 7 mei: er verschijnt een zandbak ● 8 mei: verrek: het wordt een plantsoen met onverwoestbaar gemeentegroen ● 10 mei: een stevige brief op poten en met foto’s naar het stadsdeel: had dat niet beter gekund?
Eerst schoffelen, dan praten
Ik weet niet hoe vaak ik al gelezen heb dat bewoners of burgers door bestuurders hoog in het zadel worden gehesen. Zeker twee meter in mijn boekenkast handelt daarover. En onlangs voegde minister Guusje ter Horst er nog een halve centimeter aan toe met haar notitie om te gaan discussiëren over Verantwoord Burgerschap. Het gaat over participatie, burgerbetrokkenheid en bewonersinitiatieven en publieke verantwoordelijkheid. Er is geen coalitieakkoord, geen regeringsprogramma, van welke partijen (links, rechts, populistisch, vrijzinnig, liberaal of socialistisch) dan ook, dat deze kwestie onbesproken laat. Betrokkenheid van burgers vormt immers de zuurstof van onze democratie en de kwaliteit van de samenleving.
Ikzelf heb in menig geschrift de nodige steentjes aan deze gigibibliotheek burgerparticipatie mogen bijdragen, waarbij ik er altijd op hamer dat je burgerparticipatie niet te groot moet maken. Mensen hebben niks met sociale cohesie of leefbaarheid van de buurt of met wijkeconomie of veiligheid in het algemeen, dat is allemaal te groot, dat riekt naar ambtenaren. Mensen willen zich verantwoordelijk voelen voor iets concreets, iets overzichtelijks. Ze willen een taak die ze kunnen overzien, in plaats van verantwoordelijkheid in een beleidsproces; ze willen liever de zorg dragen voor een geveltuin, dan inspraak in een groenvoorzieningsproces.
Zo eenvoudig is het eigenlijk. Daarom schrijft iedereen het ook zo gemakkelijk op. Alsof het een soort ABC-tje is van de hedendaagse democratische bestuurscultuur, met ambtenaren als heuse opbouwwerkers die voortdurend op zoek zijn naar burgers die ze tot betrokkenheid kunnen verleiden.
Zwarte zandbak
Vergeet het. Terwijl minister Ter Horst haar oproep voor Verantwoord Burgerschap aan de buitenwereld presenteerde, stond ik op het pleintje bij mij om de hoek tijdens een kort toespraakje moeite te doen om mijn sarcasme te onderdrukken. Ik sprak daar namens mijn buren en gericht tegen vier ambtenaren van mijn stadsdeel, twee stadsdeelraadsleden, twee stadsdeelwethouders en drie medebewoners die op deze gure dinsdagmiddag bijeen waren gekomen voor de officiële opening van een nieuw stuk plantsoen bij te wonen. Het was een feestelijke bijeenkomst, het Chinese restaurant dat aan het pleintje gevestigd is had twee grote schalen met oosterse hapjes klaargemaakt en voor ik wat mocht zeggen had een fris VVD-raadslid het woord genomen. Eindelijk meer groen in ons stenen stadsdeel, zei ze, waarna ze samen met haar collega een minuscuul klein plantje in de grond stopte. Wij klapten haar dankbaar toe.
Ik wilde de feeststemming niet verpesten en sprak tijdens deze massabijeenkomst mijn grote waardering uit voor dit gedurfde initiatief van de twee raadsleden dat – gezien de massale opkomst - in onze buurt op een enorme bijval kon rekenen. Maar nu de vertegenwoordigers van het bestuur er toch waren zou het wellicht aardig zijn als ze na afloop van de feestelijke plechtigheden toch even een kijkje namen in de prachtige tuin die wij nog geen twintig meter verder hadden aangelegd, nadat wij voor dit stukje zelfbeheer meer dan een jaar met de gemeente in de clinch hadden gelegen. Maar zie, de fonkelende tuin wordt nu door iedereen in de buurt als een geweldige verbetering van de publieke ruimte gezien. Kinderen ruiken aan bloemen, dartelen door de paden of jagen er op een ongrijpbare poes. Dat deert onze tuin op geen enkele manier, hij kan er tegen. De gemeente had er geen vertrouwen in, maar heeft er inmiddels een fotograaf op afgestuurd waardoor onze publieke tuin nu als gewaardeerd (geen stuiver kostend) zelfbeheerproject in menig gemeentelijke publicatie prijkt. Ach ja, van ons mag het.
U kunt dus begrijpen, zo sprak ik de dienstdoende ambtenaren en volksvertegenwoordigers toe, dat wij enigszins verbaasd waren toen er bulldozers op ons aan onze publieke tuin grenzende pleintje verschenen die de stoep openbraken en daar een zwarte zandbak van 75 m2 neerzetten om daar vervolgens van het meest troosteloze en onderhoudsgemakkelijke groen in te planten wat er voor handen is. Was het geen idee geweest, waarde vrienden, om ons daarover even te informeren? Was het niet aardig geweest om met ons te kijken of we er iets moois van hadden kunnen maken, in plaats van het soort dorre struikgewas waar je bij voorkeur geen omkijken naar hebt?
Ik bleef beleefd, de wethouder had al gezegd dat we binnenkort toch maar eens om tafel moesten zitten. Ik zei ook geen onvertogen woord tegen de verantwoordelijke ambtenaar die zeer zorgelijk had gekeken toen mijn buurvrouw hem enthousiast vertelde dat ze alvast maar wat leuke planten in deze nieuwe gemeentegrond had gezet en wat frisse bloemen gezaaid. ‘Maar we gaan dat er toch weer uit schoffelen’, meldde hij haar doodleuk. Niks geen bloemetjes en plantjes, eerst moest het dorre gemeentelijke struikgewas aarden. Not In My ForYard.
Nu denkt u natuurlijk over mij: man, heb je niks beters te doen? Wat zou je nu druk maken over een paar van die mallotige ambtenaren. U heeft gelijk, moet ik ook niet doen. Maar terwijl ik deze brave dienders van de publieke zaak bezwaard zie kijken, denk ik aan al die Vogelaar-plannen, al die wijkaanpakken, waarin papierproducerende ambtenaren fier de bewoners in de hoofdrol plaatsen. Het is je reinste volksverlakkerij. Ik woon – toevallig, wou ik schrijven, maar dat is het natuurlijk niet – in een buurt met een ongekend hoge verantwoord-burgerschapsdichtheid. Al die nota’s zijn ons op het lijf geschreven, geef ons een vinger verantwoordelijkheid en we pakken een hele hand.
.jpg)
Lippendienst
Maar de dienstdoende ambtenaren handelen daar – alle fraaie beleidsdoelstellingen ten spijt - in het geheel niet naar. Het is alleen maar meer werk, denken ze. Als dat in deze minuscule kwestie niet eens lukt, hoe serieus moeten we dan dat beleidsproza over burgerparticipatie nemen als het gaat over kansarme burgers, allochtone bewoners, mensen met geldproblemen of levensmoeilijkheden. Niet dus. Dat wordt helemaal niks. Het is niet meer dan lippendienst aan bestuurlijke modes.
Ik heb dat allemaal tijdens mijn toespraakje niet gezegd. Er zijn inderdaad belangrijke zaken in de wereld. Bovendien kun je ambtenaren maar beter te vriend houden als burger, dus ik hield me in. Ik zal hier ook niet opschrijven welk stadsdeel uit Amsterdam het hier betreft, ik denk dat het elders in de stad niet veel beter is en nu het aantal stadsdelen vermindert en de afstand tussen de stadsdeeldiensten en de burgers alleen maar groter wordt, zal de discrepantie tussen de goede bedoelingen en de slechte praktijken nog eens stevig toenemen.
En ondertussen begrijpen wij als verantwoorde burgers heel goed dat het schoffelen in ons troosteloos nieuwe gemeenteplantsoentje echt niet iets is waar onze stadsdeelplantsoenendienst een monopolie op heeft. Dat kunnen we heel goed zelf, en met een beter resultaat. Kom volgend jaar maar kijken.
Deze column verschijnt in het juni/juli nummer van TSS – Tijdschrift voor sociale vraagstukken.
.jpg) .jpg) .jpg) .jpg)
THE MAKING OF EEN GEMEENTEPLANTSOEN (II)
● 15 mei: plantsoen is af: er staan vijftig plantjes in. ● 17 mei bewoners beginnen zelf met inzaaien ● 25 mei: stadsdeel geeft antwoord: er zal een gesprek komen ● 27 mei: uitnodiging voor feestelijke opening in de bus ● 28 mei: bewoners dragen een plantje bij ter bestrijding van de troosteloosheid ● 2 juni: feestelijke opening in de regen. ● VVD-initiatiefnemers poten twee plantjes. ● 18 juni: groenmedewerkers gemeente komen niet-gemeentelijke groen wegschoffelen (een opdracht die ze niet of met tegenzin uitvoeren). ● 20 juni: nog geen uitnodiging voor gesprek ontvangen.
|
|
jun 1
|
Onze man in Brussel

Hans van Baalen, bij deze Europese verkiezingen lijsttrekker van de VVD,
meldt trots in de Volkskrant (reiskatern, voorpagina) van dit
weekend dat hij van plan is in Brussel ‘alleen maar Nederlands te spreken’.
Hij spreekt vier talen vloeiend en nog een paar hakkelend, maar als hij tot
het Europese pluche is toegetreden gaat hij alleen maar Nederlands spreken.
Ik vind dat ongelooflijk. Allereerst omdat het een leugen is. Als de man
wat wil bereiken in Brussel dan zou hij wel heel stom zijn om daartoe zijn
talenkennis niet op het juiste moment aan te wenden. Dus dat gaat hij ook
gewoon doen. Hij zegt dit alleen om aan de kiezer te laten zien dat hij
zich niet zal laten meeslepen door de Europese smeltkroes, maar dat hij
fier en trots zijn Nederlanderschap ten gehore zal brengen. In zijn eigen
taal, dat spreekt.
Zo diep is de VVD dus al gezonken. Waren we ooit een volk dat overal in de
wereld een woordje meebrabbelde, bewonderd door de vele vreemde talen die
we spraken, ook al klonk het Nederlands daar onvermijdelijk in door. Met
die open mind (sorry, voor het anglicisme, Hans) hebben we overal in
de wereld sinds de Gouden Eeuw ons voordeel gedaan, en dat doen we nog
steeds. In plaats van met diezelfde VOC-mentaliteit nu naar Brussel te
varen, om daar goede zaken voor ons land te doen, zoals je van een stevige
liberaal zou mogen verwachten, kondigt meneer Van Baalen aan om in het
vijandige Brussel alleen Nederlands te spreken. Mooi voorbeeld voor onze
schoolgaande jeugd. (Waarom moeten wij die talen leren pap, meneer Van
Baalen spreekt in Brussel toch ook alleen maar Nederlands? Kunnen de
Europianen geen Nederlands leren?) Ja, daar zullen we veel wijzer van
worden.
Overigens, op 13 november 2006 ontving dezelfde Hans van Baalen een hoge
Roemeense onderscheiding, Commandeur in de Orde van de Roemeense Ster, als
dank voor zijn niet aflatende inspanningen om Roemenië tot de Europese Unie
te laten toetreden. Ik wil het er nu niet over hebben dat de toetreding van
Roemenië en Bulgarije alom als een grote blunder wordt gezien. ‘We hadden
niet moeten zwichten voor de lobbyisten’, zeggen vrijwel alle politici nu.
Maar ik vraag mij wel af in welke taal hij deze inspanningen indertijd
heeft verricht. Had hij het toen ook maar bij het Nederlands
gehouden.
Zie: Elsevier, 14 november 2006
|
|
|