|
Via dit weblog wil ik u op de hoogte houden van columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van zaken die mij opvallen, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardigheden. Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb. Reageert u vooral, ik zorg ervoor dat het geplaatst wordt, mits het natuurlijk wel ergens op slaat.
Een waarschuwing: in de loop der jaren kunnen links gewijzigd zijn waardoor ze niet allemaal meer werken. Dat geldt ook voor teksten van artikelen die u via het weblog via een link van deze website zou kunnen halen. Wegens een conversie van word-documenten naar pdf-documenten werken dergelijke interne links in weblogberichten voor mei 2009 niet meer perfect. In dat geval kunt u de artikelen beter ophalen via de knoppen 'journalist/publicist' --> 'artikelen' of anders via de speciale knoppen van het betreffende tijdschrift waarin het werd geschreven.
Als u wilt reageren kunt u mij een e-mail sturen via info@josvdlans.nl
| |
februari 2008
|
feb 23
|
ER OP AF - presentatie

De afgelopen maand heb ik op verschillende plaatsen mijn ‘ER OP AF –
presentatie’ mogen houden. In Den Haag, Breda en Arnhem waren het steeds
iets andere verhalen voor steeds andere soorten publiek, maar de basis van
deze verhalen is elke keer – grosso modo - hetzelfde. Wie deze presentatie
nog eens wil raadplegen kan hier klikken.
Kijk ook op:
www.eropaf.org .
|
|
feb 22
|
Maastrichtse Dansdagen
Het was maar een klein krantenberichtje, een stoppertje, zoals
het toen ik bij de krant werkte werd genoemd. Zo’n berichtje om de pagina
mee te vullen. Boven het berichtje stond: Nederlandse Dansdagen blijven in
Maastricht.
Is dat interessant? Nou, nee. De kans dat ik (Amsterdammer) de Dansdagen
bezoek zal daardoor niet meteen toenemen, maar verder lijkt het me
nauwelijks vermeldenswaardig. Het ANP-bericht vermeldt verder dat het
besluit om in Maastricht te blijven die dag ervoor door
directeur Guido Wevers van het Theater aan het Vrijthof in Maastricht
bekend is gemaakt.
Er zal een diepe zucht van opluchting door de Maastrichtse bevolking zijn
gegaan, denk ik dan.
Maar bij nadere lezing wordt het berichtje onverwacht toch interessant. Ik
lees: ‘Het bestuur van de Dansdagen zag aanvankelijk in Amsterdam meer
groeimogelijkheden, maar dat blijkt bij nader inzien onjuist. Maastricht
krijgt meer gelegenheden waar kan worden gedanst, en biedt de dansers naast
het Theater aan het Vrijthof en de ENCI vanaf volgend jaar ook de
Timmerfabriek als dansplek aan. Wevers protesteerde eerder al tegen de
voorgenomen verplaatsing. Dit omdat het evenement in Amsterdam zou opgaan
''in de zoveelste culturele rimpeling''. Aldus de ANP.
Waar mijn oog direct bij bleef steken waren de woorden: ‘bij nader inzien’.
Dat is een fascinerend zinnetje. Zonder deze drie woorden zou je na lezing
van het bericht geneigd zijn om te denken dat het bestuur van de
Nederlandse dansdagen niet echt meer op zijn taak berekend is. Het getuigt
immers van niet al te veel bestuurlijk vernuft om heel Maastricht de
gordijnen in te jagen om daarna doodleuk te beweren dat die gedachte
onjuist is. Had dat eerder bedacht.
Maar er staat ‘bij nader inzien’. En dat roept de vraag op hoe het bestuur
ineens tot deze wijsheid is gekomen. En dan blijkt dat die jongens en
meisjes die de Dansdagen bestieren helemaal niet zo oenig zijn, als je
geneigd ben te denken. Integendeel, ze hebben het heel slim gespeeld. Ze
zijn sinds jaar en dag zeer ambitieus, en willen van de Nederlandse
Dansdagen een spraakmakend hoogtepunt maken van de Nederlandse danswereld.
Zoals de Nederlandse filmdagen dat in Utrecht zijn, bijvoorbeeld. Groots
met dansawards, veel nieuwe voorstellingen, en alle mensen die er in de
danswereld toe doen.
De gemeente Maastricht is weliswaar enthousiast, maar eigenlijk komt het
Dansdagen-bestuur tot de conclusie dat het college van B&W toch vooral
lippendienst bewijst. Ze zeggen het allemaal geweldig te vinden, maar
steken geen vinger uit, laat staan dat ze met iets extra’s over de brug
komen. En ineens heeft één van de bestuurders een ingeving. Weet je wat,
zegt hij tijdens een bestuursvergadering, we zeggen gewoon dat we naar
Amsterdam verhuizen, moet je zien wat er gebeurt.. Al zijn collega’s zijn
meteen enthousiast.
Het blijkt een geniale zet. De inkt van het persbericht is nog niet droog
of er hangt een ambtenaar aan de lijn. Of er nog over te praten valt?
Zelden zijn de deuren in Maastricht zo snel opengegaan als de dagen die
daarop volgen. Het bestuur laat de arme Maastrichtenaren nog even bungelen,
neemt nog wat extra toezeggingen in ontvangst om dan met de verlossende
woorden te komen: bij nader inzien blijven we in Maastricht. Terwijl ze
geen moment echt van plan waren om te verhuizen. Er was helemaal geen
‘nader inzien’.
Wat deze kleine geschiedenis ons leert is dat cultuur in toenemende mate
iets is dat economische waarde vertegenwoordigt. De tijd dat cultuur een
activiteit is waar in de ogen van bestuurders alleen maar geld bij moet is
allang voorbij. Dat is ouderwets denken.
In het nieuwe denken is cultuur geen subsidieslurper, maar een producent
van waarde. Dat wil zeggen: opmerkelijke culturele uitingen dragen bij aan
de identiteit van de stad, aan de economische aantrekkelijkheid van de
stad, aan het vestigingsklimaat van bedrijven en werknemers, en speelt een
belangrijke rol in de vraag of de nieuwe creatieve klasse (de gangmakers
van de moderne stedelijke economie) in deze steden neerstrijkt, blijft
hangen en aan de slag gaat.
Daarom wilde Maastricht de Nederlandse Dansdagen niet kwijt. Daarom was
het uitspelen van de troef om naar Amsterdam te vertrekken zo slim. Het
bestuur van de Nederlandse Dansdagen wilde zijn economische betekenis
uitbetaald zien. En aldus geschiedde.
Dat is een manier van denken waar de danswereld nog erg aan moet wennen.
Dans staat niet alleen voor vaardigheden, maar ook voor iets wat zich kan
doen gelden. Maar daarbij hoort wel het juiste zelfbewustzijn. Groot
denken, spektakel zoeken, festivals maken, sponsors vinden en slim opereren
naar gemeentebesturen. Laten we hopen dat het bestuur van de Nederlandse
Dansdagen school gaat maken.
Deze column verschijnt in Dans, nr. 2 / 2008
|
|
feb 20
|
Parlementair onderzoek naar corpo's
Zou er ooit een soort commissie-Dijsselbloem komen voor de
volkshuisvesting? Goede kans. En dan niet eens zozeer om het tragische
falen van de Vogelaar-aanpak te onderzoeken of nog eens voor het voerlicht
te halen hoe het mogelijk is dat een voor 90 % door PvdA-leden bestuurde
sector er zo’n puinhoop van maakt; nee, gewoon om in navolging van het
parlementaire onderwijsonderzoek na te gaan of we de afgelopen decennia
niet te veel op het bordje van de corporatiewereld hebben gelegd.
Want wat moeten de corporaties tegenwoordig wel niet doen? Welzijnswerk,
werkprojecten, vmbo-leerplekken, schuldsanering, brede scholen bouwen,
verzorgingshuizen in elkaar timmeren dan ook nog eens als een slimme
ondernemer geld verdienen. Het onderwijs, zo toonde de
commissie-Dijsselbloem immers overtuigend aan, begon te kraken onder een
dergelijke maatschappelijke overbelasting, waarom zou hetzelfde verhaal
niet opgaan voor corporaties? Sterker, komen ook corporaties al niet steeds
minder toe aan hun primaire taak: het voorzien in de woonbehoefte van
mensen met een krappe beurs.
Er zijn zeker corpobestuurders die een dergelijke uitkomst zouden
toejuichen. Zij willen hun werkzaamheden vooral richten op waar ze goed in
zijn (woningen bouwen en beheren). Zij denken stiekem: “Kom op
parlementariërs: verlos ons van al die sociale flauwekul!”
Toch zit die uitkomst er niet in. Het onderwijs werd met nieuwe leerdoelen
opgezadeld zonder dat ze daar ook maar een cent extra voor kreeg of een
extra leerkracht voor kon aantrekken. Het gevolg was dat de kerntaken
(kennisoverdracht, rekenen en taal) verwaarloosd werden. Die vlieger gaat
echter bij de volkshuisvesting niet op. Daar hield de groei van de sociale
verantwoordelijkheden van corporaties gelijke tred met de groei van het
vermogen. Ze kunnen het gewoon betalen. Sterker, steeds duidelijker werd
dat een goede sociale infrastructuur in wijken zich uiteindelijk ook
uitbetaalt in de waarde van de corporatiewoningen. Een corporatie die dus
een heel beperkte taakopvatting heeft doet niet alleen zichzelf te kort,
maar vooral ook de samenleving.
Het zou mooi zijn als dat nu eens eindelijk door een stevig parlementair
onderzoek aangetoond kan worden. Kunnen de parlementariërs meteen een
oordeel uitspreken over hun eigen systematische pogingen om dit nobele
streven permanent te dwarsbomen.
Deze column verschijnt in Aedes Magazine, nr. 5/2008 .
|
|
feb 15
|
PvdA-volkshuisvestingstragedie
De flow was er. Een jaar geleden. Pieter Winsemius had in een
half jaar als VROM-minister een klein wonder teweeggebracht. Gewapend met
zijn WRR-rapport ‘Vertrouwen in de buurt’ was de ervaren VVD’er het land
ingetrokken en had op een geheel eigen wijze - charmant, ginnegappend,
uitnodigend - de corporatiewereld het mes op de keel gezet: pak die wijken
aan, want doe je het niet dan komt Den Haag het geld ophalen. Winsemius
kwam als geroepen. De verhoudingen in de volkshuisvestingswereld waren
totaal bekoeld, maar de oude vos trok zich er niets van aan. Hij kwam, zag
en overwon.
Zo ontstond de flow. De corporaties kwamen met een substantieel
miljoenenbod aan de samenleving, er ontstond een sfeer waarin grote
investeringen mogelijk leken, waarin mensen erin gingen geloven. Daarmee
was het bedje voor Ella Vogelaar gespreid. Aan haar de taak om de nieuwe
energie in goede banen te leiden en de resultaten politiek in te boeken.
Dat is – zo weten we inmiddels - op een jammerlijke mislukking uitgelopen.
De flow is geheel verdwenen en partijen staan weer als kemphanen tegenover
elkaar. Vogelaar schakelt nu een staatsincassobureau in.
Hoe kan dat?
Allereerst is de politiek onervaren Vogelaar vanaf het begin gekielhaald
door de mannen van Financiën, onder aanvoering van PvdA-leider Bos. Die
zorgden er niet alleen voor dat Vogelaar zelf geen geld in te brengen had,
maar dat er – vanwege financieringstekorten en Europese EMU-saldo’s – ook
nog volkshuisvestingsgeld op de staatsrekening gestort zou moeten worden.
Voor Bos telde niet het momentum, maar vooral het geld. Dus boekte hij ook
nog eens 500 miljoen winstbelasting in.
Vervolgens trokken de bureaucraten de macht naar zich toe door met
getallen te gaan goochelen, waaruit veertig Vogelaarwijken te voorschijn
kwamen. Gemeenten worden inmiddels geacht om zo’n beetje de hele
verzorgingsstaat uit te voeren, maar zijn kennelijk niet slim genoeg om
zelf te mogen bepalen hoe ze hun probleemwijken definiëren. Nee, dat kon
Den Haag veel beter. Niet alleen zitten we daardoor met krankzinnige
gebiedsindelingen, daar mocht ook nog eens alleen nieuwe geld naar toe.
Waarmee al die corporaties die al lekker bezig waren meteen een schop na
kregen.
Het gevolg van dit staaltje Haagse sturing was dat er een koortsachtig
overlegcircuit werd opgetuigd, waarin het steeds meer over geld ging en
steeds minder over volkshuisvesting, waardoor de irritatie toenam en het
gezag van de minister met de dag afbrokkelde. Zij werd aldus de gevange van
de verkeerde energie en kon uiteindelijk niets anders doen dan op tafel
slaan: nu kom ik het geld halen. Het allervreemdste – en de ste
merkwaardiger dat zo weinig mensen het er over hebben - is dat vrijwel alle
hoofdrolspelers in deze tragedie lid zijn van de PvdA. Als de minister
overlegt met de prachtwijkenwethouders dan is 80 procent partijgenoot.
Overlegt zij met de top van de corporatiewereld: idem dito. Ongelooflijk.
Honderd jaar geleden werd de woningwet voorbereid door sociaal-liberalen,
maar in de grote steden door gedreven sociaal-democraten tot een succes
gemaakt. Maar toen een eeuw later opnieuw een sociaal-liberaal een niet te
missen voorzet afleverde, raakte de sociaal-democratische voorhoede
onderling zo slaags dat ze deze kans voor open doel volledig aan zich
voorbij liet gaan. Het wachten is nu op een parlementair onderzoek.
In de tussentijd draaien Wibaut, De Mirande, Drees en ja zelfs Schaefer
zich in hun graven om.
Deze column verschijnt in CRUX, uitgave van woningstichting
Portaal.
|
|
feb 8
|
Georganiseerde discontinuïteit
Ik
ken Hans van Ewijk, lector sociaal beleid bij het kenniscentrum Sociale
Innovatie van de Hogeschool Utrecht (mond vol), al jaren. Een van de eerste
baantjes waar ik in het begin van de jaren tachtig op solliciteerde,
eindredacteur van het tijdschrift Jeugd en samenleving, werd door Hans voor
mijn neus weggekaapt (overigens heel terecht, want hij had veel meer
ervaring dan ik). Maar sindsdien kruisen onze wegen zich met de regelmaat
van de jaartelling. Ik kwam hem tegen toen hij in Amersfoort het
informatiecentrum voor jeugdonderzoek leidde, toen hij bestuurder was van
het NIZW en nu weer als lector sociaal beleid. Er gaat geen episode voorbij
of ik tref Hans wel een keer.
Maar ik wist eigenlijk niet dat hij een begenadigd spreker is. Dat
realiseerde ik mij pas toen hij op het symposium Welzijn Versterkt
Duurzaamheid op 17 januari 2008 in de Oude Raadszaal in Den Haag een heel
gedegen inleiding hield over ‘wijkaanpak, burgerschap en duurzaamheid’.
Niks geen powerpoint, maar uit zijn hoofd, rustig wandelend over een podium
een volle zaal boeien. Kom daar nog eens om.
Het symposium behandelde de vraag of het welzijnswerk op het niveau van
wijken duurzaamheid niet veel meer als invalshoek zou moeten nemen om
mensen tot participeren te verleiden. In Zuid-Holland is een aantal leuke
projecten georganiseerd en de vraag is nu of hier niet een nieuwe kans ligt
voor het welzijnswerk. Het symposium diende om daarover een soort balans op
te maken. Voor de provincie Zuid-Holland (die de projecten heeft
gesubsidieerd) is de vraag aan de orde of ze er nu verder mee moet, en voor
andere provincies is het interessant om te kijken of ze wat van de
Zuid-Hollandse ervaring kan leren. Een mooie doelstelling waar ik graag (in
dit geval als dagvoorzitter) aan meewerk.
Welnu, om een lange dag kort te maken: ja, het is interessant om hiermee
verder te gaan, ook voor andere provincies. Dat is een voorspelbare, maar
daarom niet minder relevante conclusie. Maar omdat die uitkomst niet het
interessantst was van deze dag, verwijs ik graag naar de uitgebreide en
informatieve brochure die over de Zuid-Hollandse aanpak is verschenen. Ik
zelf werd veel meer gegrepen door een paar genadeloze diagnoses die Hans
van Ewijk op basis van een onderzoek onder managers, ambtenaren en
welzijnswerkers in de regio Utrecht aan het Haagse gehoor toevertrouwde.
Van Ewijk constateert dat er op wijkniveau grote verwarring en onvrede
heerst over wat er nu moet gebeuren. Er is onduidelijkheid over wat nu
eigenlijk werkt, wie het moet doen, wat nu het probleem is, wie nu welke
rol op zich neemt, wat de aard van de sturing door de overheid is, waar die
nu precies op gericht is (stuurt men nu een werksoort, een voorziening of
een gebied?) . Dat leidt ondermeer tot het voortdurend opstarten van nieuwe
projecten, tot het door de stad heen schuiven van professionals die vaak
met geen mogelijkheid kunnen zeggen of ze een jaar later ook nog actief
zijn in de wijk, waardoor elk zicht op de lange termijn eigenlijk
ontbreekt. Van Ewijk concludeert: veel lokaal sociaal beleid kenmerkt zich
als georganiseerde discontinuïteit. ‘De neiging vooral projectmatig te
werken, op incidenten te reageren, innovatief te willen zijn, professionals
te laten rouleren leidt tot veel onzekerheid over de duurzaamheid van de
contacten, de interventies, het aanbod en het beleid.’
Nu is Hans van Ewijk een hele rustige man, dus uit zijn mond komt dit er
heel beschaafd uit, maar wie wat hij zegt tot zich laat doordringen kan
toch weinig anders concluderen dan dat zich in Nederland een klein drama
aan het voltrekken is. Want welke zichzelf respecterende stad zet niet zijn
troeven op de wijkaanpak? En dreigt de aanpak van de veertig
Vogelaar-wijken niet te smoren in Van Ewijks georganiseerde
discontinuïteit, want het toeval wilde dat juist die week de minister van
Wonen, wijken en integratie de corporaties had gewaarschuwd dat ze haar
geen nieuwe wijn in oude zakken moesten verkopen. Met andere woorden:
alleen nieuwe projecten zouden worden gehonoreerd.
Omdat minister Vogelaar aanwezig was (zij zou de brochure in
ontvangst nemen en ook nog iets over het thema zeggen) leek het mij als
dagvoorzitter pikant om Hans van Ewijk nog eens expliciet te vragen of de
hang naar vernieuwing eigenlijk niet het grootste gevaar was voor de aanpak
van de Vogelaar-wijken. Hans bleef beleefd, maar voor de goede verstaander
was zijn antwoord duidelijk: ja, dat is zeker een groot risico.
Ja, toen kon de minister niet meer achterblijven. Zij betrad het podium
met een forse stapel door haar ambtenaren uitgedraaide papieren voor een
lezing van twintig minuten en deed toen iets dat mij op dat moment voor
eeuwig voor haar deed winnen, maar wat haar op haar eigen departement niet
erg populair zal maken: zij schoof haar stapeltje papieren terzijde en
meldde dat ze de opmerkingen van Hans van Ewijk niet over haar kant kon
laten gaan.
Geweldig.
Maar toen begon ze aan een verhaal dat mij sympathiek in de oren klonk,
maar waarvan met het verstrijken van de minuten eigenlijk steeds minder
bleef hangen. Ze zag het gevaar van Van Ewijk, ze hield vast aan het
beleid, ze bleef streng naar de aanvragen kijken, ze zou desnoods
ingrijpen, het moest niet bureaucratisch worden. Wat ze zei was niet
verkeerd, maar het was toch vooral goedwillend beleidsgebabbel. Met het
verstrijken van de minuten begon mijn nieuwsgierigheid naar de geschreven,
maar nooit voorgelezen tekst toe te nemen. We zullen echter nooit weten wat
daar in stond, want de minister stak het stapeltje papieren weer in haar
tas, nam de brochure in ontvangst en spoedde zich – zoals overigens van te
voren aangekondigd - naar een volgende afspraak.
Binnen in de Oude Raadszaal in Den Haag was de verwarring groot, buiten
besloot de Nederlandse projectencarrousel nog maar eens een tandje bij te
schakelen.
De brochure Welzijn versterkt duurzaamheid in buurten en wijken
(ISBN: 9789081274814) is uitgegeven door en te bestellen bij Factor G,
Turfmarkt 36/38, 2801 HB Gouda, tel: 0182–52 88 88, E-mail:
info@factor-g.nl.
Deze column verschijnt in TSS, nr. 2 / maart 2008.
|
|
feb 4
|
STP TRPSTR
Het was ergens in het najaar dat ik ineens dacht: zo kan het niet langer,
ik moet wat doen, ik begin een actie STP WLDRS (het hypermoderne affiche
had ik al helemaal in mijn hoofd), met overal in het land breed
samengestelde plaatselijke actiecomités, die het Limburgse gevaar op alle
mogelijke ludieke en ter zake doende manieren het hoofd gingen bieden. Ik
had het plan (op papier) al bijna in kannen en kruiken, tot mijn oog viel
op de opiniepagina van Trouw op 30 november.
Doekle Terpstra was mij voor. In een prachtig stuk Nee tegen kwade
boodschap Wilders zei hij precies wat ik bedoelde. En omdat hij veel
belangrijker is dan ik, was ik een tevreden mens. Totdat ik die dag de
reacties van de Haagse linkse politici vernam, die om beurten kwamen melden
dat het niet verstandig was om op de persoon van Wilders te spelen, dat het
ging om argumenten. Oei, dacht ik, misschien hebben ze gelijk.
Even was ik uit het veld geslagen. Maar toen herschreef ik mijn actieplan
en bedacht een landelijke actie ‘waakzaamheid tegen de onverdraagzaamheid’.
Het woord Wilders mijdde ik verder als de pest. Ik had het plan (op papier)
al bijna in kannen en kruiken, tot mijn oog viel op de voorpagina van Trouw
op 2 januari van dit jaar.
Doekle Terpstra was mij wederom voor. In het manifest ‘Benoemen en bouwen’
riep hij samen met andere prominenten op 'problemen in de samenleving te
benoemen, aan te pakken en op te lossen, zodat burgers zich met elkaar
verbinden'. Geweldige tekst, goed plan, veel beter dan het mijne, het woord
Wilders kwam er niet in voor. Wederom was ik een tevreden mens.
Totdat ik die dag de reacties van linkse politici vernam. Ze vonden
Terpstra sympathiek, maar zijn plannen ‘vaag’, ‘niet politiek’,
‘onduidelijk’, ‘niet erg gericht’. Eigenlijk hadden ze er geen enthousiast
woord voor over. Sindsdien wil er bij mij – behalve het kankeren op links -
geen nieuw plan meer opkomen. Ik weet het even niet meer.
Nu maar hopen dat Doekle Terpstra mij in dit opzicht niet opnieuw voor is.
Deze column verscheen in het GroenLinks Magazine van februari 2008.
Doe niet flauw, bouw mee op: www.benoemenenbouwen.nl/.
|
|
feb 1
|
Nieuw boek verschijnt op 6 maart !!!!!!!
Mijn nieuwe boek, Ontregelen – de herovering van de
werkvloer, is af. Er circuleren inmiddels al heuse drukrpoeven en
de verschijningdatum is vastgesteld op donderdag 6 maart.
Die dag presenteer ik vanaf 16.15 uur het boek in de - mij zeer vertrouwde
- vergaderzaal van de Eerste Kamer. Het eerste exemplaar overhandig ik Ab
Klink, oud-collega-senator en thans minister van Volksgezondheid. Het
programma is kort en krachtig en ziet er als volgt uit:
15.45 – 16.15 uur
Ontvangst in de Eerste Kamer, Binnenhof 22
16.15 – 16.30 uur
Toelichting op het boek
16.30 – 16.35 uur
Korte reactie van Ab Klink
16.35 – 17.15 uur
Gesprek onder leiding van Peter van Lieshout (WRR) met als panelleden
(naast de auteur en de minister) Margo Trappenburg,
hoofddocent bestuurs- en organisatiewetenschappen Utrecht, bijzonder
hoogleraar patientenrecht Rotterdam en columniste van het NRC, en Tof
Thissen, directeur DIVOSA, de vereniging van managers op het
terrein van werk, inkomen en sociale vraagstukken, en fractievoorzitter van
de Eerstekamerfractie van GroenLinks. Onderwerpen: kan je sturen op
vertrouwen, hoe organiseer je passie en hoe voorkom je bureaucratie?
17.15 – 18.00
Gelegenheid voor een drankje en het aanschaffen van het boek (tegen korting
en met een extra verrassing).
Veel mensen hebben zich al opgegeven, de ruimte is beperkt, maar wie zeker
wil zijn van een kan mij alvast een emailtje sturen: josvanderlans@xs4all.nl.
Ter informatie, hieronder de flaptekst en de inhoudsopgave:
Een kwart eeuw schrijft, denkt en praat Jos van der Lans
inmiddels over de publieke sector in Nederland. Over welzijnswerkers,
politieagenten, docenten, jeugdzorgers en thuiswerkers, over al die
professionals die de samenleving als werkvloer hebben. Alleen zien we ze
daar steeds minder. Bureaucratische regels, angstige protocollen en
geduldig registrerende computerschermen zijn er steeds beter in geslaagd
deze professionals van hun werk te houden.
ONTREGELEN is geboren uit verbazing over deze ontwikkeling. Waar komt die
controlezucht vandaan? Hoe heeft deze bureaucratische verschansing achter
loketten en procedures zich kunnen voltrekken? Hoe kan het dat deze
professionals het hebben laten gebeuren? En vooral: hoe kan het tij gekeerd
worden?
Als vervolg op het succesvolle Koning Burger. Nederland als
zelfbedieningszaak onderzoekt Jos van der Lans de sluipende revolutie
die de
professionele staat van Nederland wezenlijk heeft veranderd. Onder leiding
van steeds meer aanwezige managers gaat alle
aandacht uit naar interne procedures, waardoor stukje bij beetje de passie
uit het werk wordt geperst. Het gevolg is dat professionals steeds verder
weg worden gedreven van de plek waar ze het meest nodig zijn: in het front
van de samenleving.
INHOUD
Proloog
[1] De zweetdruppels van Carl Rogers
De professionele ontwapening
[2] Afstand houden
Een mentaliteitsgeschiedenis
[3] De oorlog van Mintzberg
Het bureaucratisch gareel
[4] Het raadsel van Savanna
Zelfgegijzelde professionals
[5] De kleinst denkbare organisatorische eenheid
Een nieuw paradigma
[6] De nieuwe revolutionairen
De werknemersmentaliteit van professionals
[7] Namen en huisnummers
Levende kennis
[8] De leefwereld als spreekkamer
Erop af
[9] De kunst van het ontregelen
De herovering van de werkvloer
|
|
|