JOS VAN DER LANS - WEBLOG / TWITTER

Via twitter (@josvanderlans, sinds oktober 2010) en onderstaand weblog (sinds augustus 2004) kunt u op hoogte blijven van artikelen en columns die ik schrijf, van gebeurtenissen waar ik bij ben geweest, van observaties die ik doe, van meningen die in mij opwellen, of van andere persoonlijke wetenswaardig-heden.

Het kan van alles wat zijn en het is ook sterk afhankelijk van hoe druk ik het heb.



.

Reacties worden enorm op prijs gesteld. Stuur een email naar: info©josvdlans.nl

weblog - oktober 2021
’Het Ik-centrisme heeft bijna religieuze vormen aangenomen’


IK-tijdperk en corona-verzet


In december 1979 verscheen Het IK-tijdperk, een dubbeldik kerstnummer van het toen nog trendzettende weekblad Haagse Post. Auteur John Jansen van Galen beschreef erin hoe nogal wat Nederlanders vanuit de verzuilde jaren vijftig de welvaartsgroei hadden aangegrepen om los te komen van allerhande morele benauwenissen. De babyboomers waren begonnen aan een langjarig bevrijdingsfestival, waarin alle dimensies van lichaam en geest hartstochtelijk verkend werden. Meditatie, esoterie, yoga, psychotherapie, zelfhulp, seksualiteit, drugs – niets was nog meer te gek.

Hij leunde daarbij overigens sterk op het boek The culture of narcissim dat de Amerikaanse cultuurhistoricus Christopher Lasch eerder dat jaar had gepubliceerd. Lasch ging daarin nog een stapje verder: hij analyseerde hoe de westerse cultuur, in het bijzonder de Amerikaanse, steeds meer in de ban raakte van een narcistisch persoonlijkheidstype, geconcentreerd op eigen levenslot, en steeds minder in staat tot langdurige gemeenschap met anderen.

Lasch en Jansen van Galen confronteerden Nederlanders met de andere kant van de jaren zestig en zeventig. Wat tot dan vooral de beeldvorming had bepaald was de opstandige activistische kant. De strijd tegen de (mannelijke) regenten en hardleerse autoriteiten - feminisme & emancipatie, stadsvernieuwing & kraken, politisering & democratisering. Het waren de jaren, waarin mensen actief voor kwetsbaren, achtergestelde, gedupeerden en slachtoffers in het geweer traden. Solidariteit leek het sleutelwoord.

Maar op de drempel van de jaren tachtig wezen Lasch en Jansen van Galen erop dat achter alle schreeuwerigheid een onderstroom op gang was gekomen waarin mensen minder begaan waren met de hervorming van de wereld en meer met de ontdekking van zichzelf. En omdat dat ‘zelf’ niet langer geprogrammeerd werd door god, kerk en zuil, moest er van alles beproefd worden, waarbij er een nieuwe mentale industrie was opgestaan om mensen daarbij gretig de helpende hand te bieden. Welkom in het Ik-tijdperk.

De term was een decennium populair, maar daarna raakte hij in onbruik. In 2019 bracht John Jan van Galen, samen met historicus Jouke Turpijn nog het boek Terug naar het Ik-tijdperk uit, waarin zij nog eens terugblikken. Het boek kreeg nauwelijks aandacht. De titel was ook niet goed. Het Ik-tijdperk is niet iets van de vorige eeuw, we leven er middenin. De onderstroom is – met dank aan de neoliberale jaren negentig – mainstream geworden.

Maar wat corona nu dramatisch duidelijk heeft gemaakt is dat er radicale groepen zijn voor wie het Ik-centrisme bijna religieuze vormen heeft aangenomen. Voor hen is de individuele vrijheid heilig, onaantastbaar en dus onbespreekbaar. Het liberale uitgangspunt dat jouw vrijheid op houdt daar waar het de vrijheid van anderen bedreigt of beknot, gaat het ene oor in en het andere meteen weer uit. Het lichaam is het goddelijke privé-koninkrijk en daar regeren ze als een absolute vorst over, elke verplichting is niets minder dan een oorlogsverklaring. Niet toevallig komen we de aanhangers vooral tegen in de regionen waar John Jansen de eerste voortbrengselen van het Ik-tijdperk op het spoor kwam: de wereld van yoga & contemplatie & zelfontdekking. In die wereld bestaat geen groter en hoger belang dat de persoonlijke autonomie. Daar mag niemand aankomen, al zeker de overheid niet.

Zij vertegenwoordigen de uitvergroten fundamentalistische kant van de cultuur waar we allemaal in ondergedompeld zijn. Daarom weten we niet zo goed hoe er mee om te gaan. We proberen de neo-ego-religieuzen te overtuigen met rationele argumenten, maar daardoor lijken zich juist nog meer te verschansen in hun eigen gelijk. We durven niet hardop te zeggen dat als de vrijheid die mensen menen te claimen een bedreiging wordt voor de gezondheid van anderen, dat de samenleving dan een streep moet trekken. Dat een gemeenschap dan bijvoorbeeld weinig anders kan doen dan de vaccinweigeraars in geval van ernstige ziekteverschijnselen als gevolg van een besmetting de toegang tot de Intensive Care te ontzeggen, omdat hun weigerachtigheid de behandeling van onschuldige anderen in gevaar brengt. Dat je natuurlijk de absolute vrijheid mag claimen, maar dat je daarvan dan ook de ultieme consequenties van moet durven te dragen.

Dat zou een even simpel als te rechtvaardigen antwoord zijn. Een serieuze lakmoesproef. Laten we kijken of het neo-ego-fundamentalisme stand houdt in het vooruitzicht van ernstig persoonlijk lijden, en mogelijk zelfs de dood. Ik voorspel dat er veel afvalligen zullen zijn, want principes is één, maar je moet er geen last van hebben. Ook dat is het Ik-tijdperk. Helaas. Ik vrees dat er geen politicus die het zelfs maar durft te opperen. Tja, dan moeten we dus niet vreemd opkijken dat de wappies steeds meer zieltjes weten te winnen en de samenleving steeds verder monddood wordt gemaakt. Eigenlijk precies wat Christopher Lasch voorspelde.


Deze bijdrage verscheen in het Tijdschrift voor sociale vraagstukken, nr. 3/2021. Hier kan je de pdf downloaden.
Wildwest woningmarkt vraagt om bureaucratische beteugeling


Onlangs vond ik een keurige persoonlijk aan mij gerichte brief van een mij totaal onbekend vastgoedbedrijfje op mijn deurmat, waarin ik als eigenaar van een Amsterdamse woning hulp kreeg aangeboden om via dit alleraardigste bedrijf de woning te verhuren of – nog beter – aan de afzender te verkopen. De briefschrijver bleek precies op de hoogte dat ik er zelf niet woonde (mijn dochter woont er) en bood zichzelf aan om mij te ontzorgen van de zware verantwoordelijkheid die het bezit, onderhoud en verhuur met zich mee brengt.

Ik zal niet de enige zijn geweest die een dergelijke brief in ontvangst mocht nemen. Als ware aasgieren stropen beleggers en vastgoedbedrijfjes de Amsterdamse woningmarkt af om alles wat los en vast zit in exploitatie te nemen. Nergens is hun kapitaal zo rendabel als op de woningmarkt, niet alleen in Amsterdam, maar overal waar de vraag naar woningen het aanbod verre overtreft. Wie geen vermogen inbrengt, heeft het nakijken en is een dankbare prooi want ja… wonen moeten de mensen toch. Dus zijn onvermogende zoekers op de woningmarkt tegenwoordig al snel de helft van hun inkomen kwijt aan woonlasten. Ondertussen moeten ze meer dan tien jaar wachten op een sociale huurwoning.

Deze wildwestsituatie doet denken aan het einde van de 19de eeuw. Ook toen was de druk op steden groot, het aanbod van woningen gering en deinsden huisjesmelkers er niet voor terug om voor de meest erbarmelijke woningen zeer hoge huren te vragen. In vochtige kelderwoningen met muffe bedsteden hoopten gezinnen zich samen, waarbij zij vaak de helft van hun inkomen aan huisbazen moesten afdragen. Het ene na het andere rapport schilderde een onthutsend beeld en daarmee groeide de overtuiging dat de uitbuiting van huisbezitters aan regels moest worden gebonden. Die gedachte vormde de grondslag voor de Woningwet in 1901, een van de belangrijkste sociale wetten die Nederland heeft voortgebracht.

Een strak stelsel van regels
De Woningwet introduceerde kwaliteitseisen voor woningen, bood gemeenten mogelijkheden om in te grijpen en gaf de stoot tot het oprichten van woningbouwverenigingen die gedurende de 20ste eeuw zo’n 2,5 miljoen betaalbare woningen realiseerden. Een prestatie die geen ander land ons na heeft gedaan en die de huisjesmelkers en particuliere beleggers grotendeels marginaliseerde. De overheid tuigde daarvoor een strak stelsel van regels op, een bureaucratie met vergunningen, distributieregels, huurbescherming, verordeningen en allerhande bepalingen. Een woningbouwverenging kon niet zomaar haar gang gaan, maar moest door het ministerie van volkshuisvesting worden ‘toegelaten’, een status waarmee vervolgens goedkoop kapitaal kon worden verworven op voorwaarde dat de gerealiseerde woningen betaalbaar zouden zijn. Daarmee werden de huisjesmelkers en particuliere beleggers buitenspel gezet.

Dat systeem werd in het neoliberale tijdsgewricht eind 20ste eeuw als een bureaucratisch relict afgedaan en stelselmatig omgevormd tot een woningmarkt waarin de gereglementeerde overheidscontrole moest wijken voor het vrije spel der maatschappelijke krachten. Gemeentelijke afdelingen volkshuisvesting werden ontmanteld en in 2010 werd het ministerie van volkshuisvesting (Vrom) afgeschaft. Niet meer nodig, zo meenden VVD, CDA en PVV.

Aparte minister voor volkshuisvesting
Inmiddels zijn de meeste politieke partijen het erover eens dat dit een historische vergissing is geweest en dat er in het komende kabinet weer een aparte minister voor volkshuisvesting moet komen. De woningmarkt is een extreem aantrekkelijke beleggingsmarkt geworden voor vermogenden met Prins Bernhard jr. als iconisch voorbeeld. Huisjesmelkers hebben vrij spel gekregen en kopen alles op waar munt uit is te slaan. Starters en onvermogenden betalen de rekening. De 19de eeuw heeft een 21ste-eeuwse verschijningsvorm gekregen.

De nieuwe minister van volkshuisvesting kan echter leren van het succes van het verleden. Hij zal de op hol geslagen woningmarkt moeten beteugelen door opnieuw een bureaucratisch systeem op te tuigen die de puur op winst gerichte beleggers de wind uit de zeilen neemt en die sociale huur bevoordeelt ten opzichte van losgeslagen marktgerichte huren. Daar passen vergaande fiscale maatregelen bij, waardoor vermogens strenger worden belast en voor particuliere woningbezitters huurinkomsten gewoon als inkomen worden gezien en belast, tenzij kan worden aangetoond dat de gevorderde huur onder de sociale huurgrens is. Dat kan alleen succesvol worden ingevoerd als het verhuren van woningen, net als het bieden van zorg of onderwijs, gekoppeld wordt aan een vergunning van overheidswege. Zoals woningcorporaties zijn ‘toegelaten’, zo moeten ook particuliere verhuurders worden ‘toegelaten’. Of ze nu één of honderd woningen verhuren, ze hebben een vergunning nodig en moeten aan voorwaarden voldoen, waarbij de overheid ze voordelen biedt als ze sociaal verhuren, maar hun winsten afroomt als ze slechts gericht zijn op het hoogste rendement.

Een nieuwe minister van volkshuisvesting moet dus niet alleen zorgen voor ‘bouwen, bouwen, bouwen’ en het bestaande woningbestand aan zijn lot overlaten. Hij/zij zal van huisvesting weer een collectief publiek goed moeten maken, precies wat het woord volkshuisvesting uitdrukt, met een daarbij passend systeem van regels en bescherming van minder-vermogenden. Hij/zij zal een effectieve bureaucratie moeten optuigen om de huisjesmelkers opnieuw de pas af te snijden. Of een kabinet gedomineerd door liberale partijen zo’n sterk sturende overheid in positie wil brengen is een van de heikele punten, wellicht zelfs een breekpunt, in de lopende kabinetsformatie. Maar het kabinet-Pierson dat in 1901 de Woningwet tot stand bracht bestond ook uit sociaal-liberalen. Dus waarom zouden hun geestverwanten in de 21ste eeuw niet tot dezelfde prestatie in staat zijn?

Deze opiniebijdrage verscheen eerder in Trouw, 8 september.
Commentaar overbodig
Kies een periode: oktober 2021
september 2021
augustus 2021
juli 2021
juni 2021
mei 2021
april 2021
maart 2021
februari 2021
januari 2021
december 2020
november 2020
oktober 2020
september 2020
augustus 2020
juli 2020
juni 2020
mei 2020
april 2020
maart 2020
februari 2020
januari 2020
december 2019
november 2019
oktober 2019
september 2019
augustus 2019
juli 2019
juni 2019
mei 2019
april 2019
maart 2019
februari 2019
januari 2019
december 2018
november 2018
oktober 2018
september 2018
augustus 2018
juli 2018
juni 2018
mei 2018
april 2018
maart 2018
februari 2018
januari 2018
december 2017
november 2017
oktober 2017
september 2017
augustus 2017
juli 2017
juni 2017
mei 2017
april 2017
maart 2017
februari 2017
januari 2017
december 2016
november 2016
oktober 2016
september 2016
augustus 2016
juli 2016
juni 2016
mei 2016
april 2016
maart 2016
februari 2016
januari 2016
december 2015
november 2015
oktober 2015
september 2015
augustus 2015
juli 2015
juni 2015
mei 2015
april 2015
maart 2015
februari 2015
januari 2015
december 2014
november 2014
oktober 2014
september 2014
augustus 2014
juli 2014
juni 2014
mei 2014
april 2014
maart 2014
februari 2014
januari 2014
december 2013
november 2013
oktober 2013
september 2013
augustus 2013
juli 2013
juni 2013
mei 2013
april 2013
maart 2013
februari 2013
januari 2013
december 2012
november 2012
oktober 2012
september 2012
augustus 2012
juli 2012
juni 2012
mei 2012
april 2012
maart 2012
februari 2012
januari 2012
december 2011
november 2011
oktober 2011
september 2011
augustus 2011
juli 2011
juni 2011
mei 2011
april 2011
maart 2011
februari 2011
januari 2011
december 2010
november 2010
oktober 2010
september 2010
augustus 2010
juli 2010
juni 2010
mei 2010
april 2010
maart 2010
februari 2010
januari 2010
december 2009
november 2009
oktober 2009
september 2009
augustus 2009
juli 2009
juni 2009
mei 2009
april 2009
maart 2009
februari 2009
januari 2009
december 2008
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
oktober 2006
september 2006
augustus 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
december 2005
november 2005
oktober 2005
september 2005
augustus 2005
juli 2005
juni 2005
mei 2005
april 2005
maart 2005
februari 2005
januari 2005
december 2004
november 2004
oktober 2004
september 2004
augustus 2004